Franta behoort sinds veertig jaar tot de schilders van het menselijk lichaam, maar in tegenstelling tot Eugène Leroy is zijn relatie tot het lichamelijke niet enkel picturaal. Zijn grootste drijfveer is, volgens Thomas M. Messer, voormalig directeur van het Guggenheim museum van New York, het ganse menselijke bestaan (‘la condition humaine’).
Zowel gemartelde lichamen, die bewijzen zijn van dramatische gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis, waarvan de Tsjech Franta de onthutste getuige was en is, als stralende lichamen van de prachtige Massaï, die de schilder in Afrika ontmoette, drukken naast het picturale zijn existentiële bezorgdheid uit.
Een eerste kenmerkende originaliteit van het werk van Franta is dat er altijd een schreeuw uitgaat van het lichaam: een schreeuw van pijn of van geluk. Nooit geeft de kunstenaar toe aan strikt vormelijke beschouwingen en daarom is het mogelijk het schilderwerk van Franta als neo-expressionistisch te beschouwen.
Het kunstwerk van Franta verschilt hoe dan ook grondig van dat van artistieke bewegingen die afgeleid zijn van de body art of van het Weense Aktionisme. Bij Franta gaat het niet over het lichaam zelf. Het zijn veeleer metaforische lichamen die de kunstenaar diepgaand analyseert zoals reeds velen van zijn voorgangers gedaan hebben. Daarom lijkt het mij dat we ons nu meer moeten richten op de tweede originaliteit van het werk van Franta: een leven lang heeft hij een expressionistische stijl ontwikkeld als een ononderbroken en eerlijk betoog voor de schilderkunst.
Het gaat bij Franta zeker niet om een zoektocht naar de ‘no style position’ op de wijze van De Kooning, die andere grote expressionist, maar wel om een picturaal plan dat hij wil uitwerken zonder daarom in te gaan tegen de regels van de kunstgeschiedenis. Franta is niet de erfgenaam van De Kooning, ( die hij overigens bewondert), maar zijn gelijke, zoals een Anselm Kiefer het de dag van vandaag op zijn manier ook is. Het is duidelijk dat deze vergelijking niet gerechtvaardigd wordt door een gelijkheid van beelden, maar wel door de bijzonder sterke existentiële aanwezigheid van taferelen en, zeker wat Franta betreft, een verwerping van alles wat theatraal is. Tussen De Kooning en Franta is er verder nog een gemeenschappelijk kenmerk, dat zij bovendien delen met de balzacien Frenhofer van ‘Chef-d’oeuvre inconnu’ : zij zijn schilders die niet proberen een ‘perfect doek’ te maken, maar die een onmogelijk doek willen realiseren. Het is inderdaad onmogelijk om het mysterie van het mens-zijn in een schilderij te vatten, maar telkens opnieuw worden de grenzen van het schilderen verlegd om het menselijk bestaan alsmaar verder te doorgronden. En dit zijn naar mijn gevoel de zin en de waarde van de expressionistische kunst van Franta.
Jean-Luc CHALUMEAU, 2002, Visual Image
|